Marit van Bohemen

Liedje voor Marit aan / uit


Kampeer en Caravan Kampioen

Wilde haren

Maandag, 23 januari 2012

Als de kinderen het naar hun zin hebben, ‘dan hebben de ouders dat ook’. Dat is een belangrijk cliché. Want als de kinderen zich op vakantie totaal niet vermaken, dan hebben de ouders geen leven.

Ik kan het weten.  Toen ik 15 was en net tussen servet en tafellaken viel, eigenlijk niet meer met mijn ouders mee wilde, maar te jong om zelf op vakantie te gaan, heb ik de kampeervakantie in Oostenrijk voor mijn ouders behoorlijk verpest.

Mijn haar zat namelijk niet goed. Ik had mijn lange lokken kort voor de zomer volgens de laatste mode laten afknippen tot een hip laagjeskapsel. Op de foto’s bij de modellen een groot succes, maar voor mijn steile Hollandse haar een onmogelijke coupe. En in combinatie met mijn bril en de pukkeltjes op mijn voorhoofd voelde ik mij daar zo ellendig over dat ik eigenlijk de caravan niet uit wilde. Nooit niet.

Bij ieder tripje dat mijn ouders wilden maken deed ik zo moeilijk mogelijk om maar niet mee te hoeven. Het gevolg was dat ik menig dag in de caravan heb versleten, met een boek dat ik al uit had en een walkman waarvan de batterijen op waren. Nieuwe batterijen halen ging ik natuurlijk niet doen, dan moest ik met dat haar naar de campingwinkel, no way! 

In mijn zelfgekozen isolement voelde ik mij heel zielig en buitengewoon eenzaam.  En stiekem ook heel schuldig, want ik zag in mijn ouders ogen heus wel de frustratie en teleurstelling over mijn gedrag.

De oplossing kwam als vanzelf. Na de zeldzame keer dat ik mee uit eten ging, het was immers donker dus ik durfde het risico aan, liep ik een acute voedselvergiftiging op. Ik voelde mij zo beroerd dat mijn haar wel het laatste was waar ik aan dacht. Ik was weer een afhankelijk, aanhankelijk kind dat zich de troost van haar ouders liet welgevallen.

De vakantie werd door mijn aanhoudende ziekte ingekort en zo waren we een week eerder dan gepland weer thuis.

Ergens in een kast bij mijn ouders ligt nog een brief van mij aan mijn moeder die ik, toen ik weer een beetje aan de beterende hand was, vol berouw heb geschreven.  Dat ik nooit meer zo stom zou doen en nooit meer hun vakantie zou verpesten. Dat is inderdaad ook nooit meer gebeurd, ik ging de zomer daarna weg met vriendinnen; met lenzen in mijn ogen, een staart op mijn hoofd en een tent onder de arm, op naar daar waar het gebeurt.